De Boeddha, de vernietiging van onwetendheid en het drievoudige weten.
Ik geef hier een interpretatie/samenvatting van het leven van Siddhattha Gautama, de ‘Boeddha’, die de aanleiding is van een stroming, bekend als het boeddhisme: Lang geleden, we spreken 6e-5e eeuw B.C., leefde er in India een man, Siddhattha genaamd, van de stam Syakya. Hij kwam als prins uit een rijke familie. Op jonge leeftijd vraagt hij zich drie belangrijke levensvragen af: waarom is er vergankelijkheid; waarom is er dood; waarom is er lijden? Hij besluit zijn ‘rijke’ leven achter zich te laten en de ‘weg’ te gaan op zoek naar antwoorden voor het opheffen van het lijden.
Hij neemt afscheid van zijn rijke leven en wordt bedelmonnik. Als eerste leert hij afscheid te nemen van zijn oude gedachten en denkbeelden door de meditatie van het ‘leegmaken’ en het verheffen tot het ‘Niets’. Hierna leert een andere leraar hem om bewust te worden van zijn bewust- en onderbewustzijn. Hierop trekt hij verder. Terwijl hij de verschillende soorten disciplines overdenkt die in India bestaan, besluit hij om al deze methodes voorbij te streven. De meditatie waartoe hij overgaat, staat in verband met een volledige remming van ademhaling. Hierdoor komt hij in een doodstoestand terecht; hij ontwaakt uit deze verstarring van de dood. Gedurende de gehele tijd van deze zesjarige ascese hecht Mara (deze staat voor de kracht van de dood) zich aan de zijde van Gautama en wacht vergeefs op een gelegenheid [middels verlokkingen (begeerte)] om vat op hem te krijgen. Gautama verbindt aan deze meditatie een streng vasten. Uiteindelijk onthoudt hij zich van ieder voedsel. Zijn schone lichaam verliest daardoor elke glans.
In de loop van deze meditatie beseft Gautama dat de zelfkwelling niet leidt tot het bovenmenselijke weten, dat nodig is voor de opheffing van het lijden. Hij beseft dat de kracht van het lichaam (als voertuig) nodig is voor de weg naar verlichting. Daarom besluit hij weer te eten. Hieruit ontstaat het ‘Middelste Pad’, dit is de middenweg tussen extreme ascese en continue zintuiglijke bevrediging. Vervolgens gaat hij naar de plaats Gaya. Hij gaat daar onder een boom zitten, en besluit niet eerder op te staan voordat hij tot de bodhi, tot de hoogste verlichting van een boeddha, is ontwaakt. Tijdens deze meditatie gaan Gautama en Mara in gevecht met elkaar. Uiteindelijk moet Mara zich overgeven, omdat Gautama ‘onthecht’ is. (hij is niet meer te claimen)
Nu richt hij zijn innerlijk orgaan (tussen de wenkbrauwen) op het schouwende inzicht. Tijdens de 1e nachtwake (1) aanschouwt hij de wezens op hun tocht in de kringloop van geboorten. Hij ziet hoe zij, nadat hun lichaam is vergaan, door slechte gedachten, woorden en daden in duistere oorden omlaag zinken; door goede gedachten, woorden en daden naar hemelse werelden opstijgen. Dit geldt als de wet van karma.
In de 2e nachtwake richt Gautama zich op zijn vorige levens en die van anderen, op aarde. In de 3e nachtwake richt Gautama zich op het ontstaan van het lijden, en hoe dit kan worden omgedraaid. De wezens zijn onderworpen aan geboorte, ouderdom, dood en wedergeboorte. Hij vraagt zich af: “uit welke oorzaak ontstaat het verouderen en de dood?” Hij beseft: (2) de oorzaak van veroudering en dood is de geboorte, geboorte ontstaat uit het blijven dwalen in de aardse sferen (na de dood), dit dwalen ontstaat uit de gehechtheid aan het aardse bestaan (in het vorige leven), deze gehechtheid ontstaat uit begeerte, begeerte uit zintuiglijke sensaties, zintuiglijke sensaties uit zintuiglijke indrukken, deze zintuiglijke indrukken zijn het gevolg van een ‘verstarde’ zintuiglijke waarneming, deze ontstaat uit een discriminatoir bewustzijn, dat is ontstaan uit de ‘negatief’ vormende krachten in het onderbewustzijn, deze zijn het gevolg van handelingen (karma) uit dit leven en vorige levens, deze vormende krachten ‘gebeuren’ door onwetendheid over het ‘gebeuren’ in het onderbewustzijn.
Wederkerig: onwetendheid-vormende krachten-bewustzijn-verstarde waarneming- indrukken-sensaties-begeerte-gehechtheid- (dood) -dwalen-geboorte: verouderen, sterven: lijden. Hieruit volgt het inzicht (3) van de vernietiging van de onwetendheid, de weg, die door de vernietiging van de vormende krachten, en van alle daaruit voortkomende fasen van de gewaarwording tenslotte naar de vernietiging van begeerte (en gehechtheid) en dus het lijden en wedergeboorte voert.
Dit is de weg, die leidt naar de vernietiging van het lijden. Nu heeft hij de ‘hoogste verlichting’ gevonden en het drievoudige weten (1,2,3) van een boeddha (verlichte/ontwaakte) verworven.



