Op weg naar een volwassen spiritualiteit
Een paar jaren geleden was ik op zoek naar een onderwerp voor mijn afstudeerproject. Binnen mijn opleiding theologie had ik mij gespecialiseerd in de religiewetenschappen. Ik had geen zin in een onderwerp dat alleen in een theologencafé begrepen zou worden. En ik dacht: waar weet ik nog weinig van af en is te groot voor mij om te bevatten? En daar was het: hét kwaad. Het was te groot voor me en wilde het klein krijgen, of meer vatbaar. Hét Kwaad: het grote probleem binnen ons bestaan. Ik heb het niet over iemand een beetje pijn doen of een griepje, nee het kwaad als hét probleem van het menselijk bestaan. Het Kwaad als dat wat nog steeds hemel op aarde in de weg staat, de Messiaanse tijd uitstelt en tweespalt drijft tussen mensen. Natuurlijk zijn er de “maakbaren” die beweren dat wij mensen alles zelf in de hand hebben. Sterker nog: de generatie boven mij geloofde heilig in een betere wereld. Zij zou maakbaar zijn en toen, in de jaren 60 en 70, zou het dan eindelijk gebeuren. En kijk hoe ver we er nu mee zijn. Allerlei smoezen worden te berde gebracht: de honger is de wereld nog niet uit vanwege de enorme bevolkingsgroei; veel ziekten zijn nu onder controle, alleen zijn er weer nieuwe voor in de plaats gekomen, et cetera, et cetera. Zo maakbaar is zij dus niet: onze wereld, laat staan ons eigen leven. We doen wel stoer, maar als we ernstig ziek worden of onze dierbaren verliezen, dan is er van dat maakbaarheidideaal weinig over. Sinds mensenheugenis wordt dat het kwaad genoemd; evil, als dat wat wij absoluut niet willen maar toch gebeurd. Als oorzaak aan ziekte, sterven, de dood, maar ook het begaan van kwaad zodat de ander pijn lijdt.
Ondertussen was ik onder de indruk geraakt van een boeddhistische vredesmonnik: Thich Nhat Hanh. Mijn tweede scriptiebegeleider kwam met het voorstel om tegenover Nhat Hanh de Franse filosoof Paul Ricoeur te plaatsen. Beide exemplarisch voor de traditie waarin zijn staan: Paul Ricoeur die als professor het westers denken over het kwaad beschrijft vanaf het begin van de filosofie tot nu. En de oosterse Nhat Hanh die in beide grote tradities van het boeddhisme is opgevoed. Wat is het verschil tussen West en Oost in het denken over het kwaad, en is er een antwoord op te geven? Tijdens het begin van mijn onderzoek stond ik als godsdienstleraar voor de klas van een VMBO-school in een achterstandswijk. Ik zag leerlingen worstelen met zichzelf: het grootste gevecht was de innerlijke onrust die velen met zich meedroegen. Wie ben ik, wat wil ik, en hoe houd ik mij staande in een steeds drukker wordende wereld vol met prikkels? Van de onderdirecteur had ik card blanche gekregen voor de invulling van mijn lessen. Na een paar maanden les gegeven te hebben vroeg ik mijzelf af waar ik in vredesnaam mee bezig was. De hele school was in beweging en werd even later zelfs door de onderwijsinspectie als zeer zwak bestempeld. Ondertussen zat ik worstelende leerlingen godsdienstles te geven waarbij er in het lesmateriaal godsbeelden werden gepresenteerd, die er op volwassen leeftijd weer uit getherapied konden worden. Na de kerstvakantie besloot ik elke les te beginnen met een korte meditatie en die uit te bereiden. Eenvoudige meditatie om het lichaam en de geest tot rust te brengen. Jongeren in onze tijd hebben een behoorlijk druk leven waarbij velen zelfs ‘s nachts niet de rust krijgen die hun lichaam en geest nodig heeft. En overdag stuiteren door een innerlijke onrust: alles willen meemaken, ervaren en beleven. Van de tien klassen ging het bij de helft goed tot uitstekend, bij de andere helft was het hard werken om de hele groep tot rust te brengen. Maar een opmerking als “meester ik had gister een toets en was ongelooflijk zenuwachtig, maar toen ik even probeerde rustig te ademen, werd ik helemaal rustig, en de toets ging daarna hartstikke goed,” waren de voor mij dankbare aanwijzingen dat het harde werken zijn vruchten afwierp. Omdat ik ook nog een lesprogramma schreef over de vijf wereldreligies, liet ik mijn scriptie een tijdje liggen. In de zomer van 2007 ben ik met de baan gestopt om mij een aantal maanden volledig aan het kwaad te wijden.
Ik haalde de boeken weer te voorschijn en dook in het zwarte gat van het kwaad, en begon met Ricoeur. Paul Ricoeur (1913 – 2005) stelt het kwaad als gemeenschappelijke oorzaak aan zowel de zonde (het begaan van kwaad) alswel het lijden, dat zich kenmerkt als het overkomt mij, waaronder ziekte en sterven. Maar waar komt het kwaad vandaan en wat is de reden? Hij ontdekt dat dit niet beantwoorden valt. Daarom richt hij zich op de vraag: hoe komt het ten diepste dat wij kwaad begaan, zodat anderen lijden? Maar ook hier komt hij niet uit. Ondertussen is er in het naoorlogse filosofisch denken sprake van een ethisch failliet: er is een verloren mensbeeld ontstaan dat niet meer uitnodigt om voor elkaar te zorgen op een menswaardige manier. Na de Holocaust beloofden we elkaar dat zoiets nooit meer zou gebeuren, maar de ene genocide volgde de andere op. Ricoeur besluit uiteindelijk zijn zoektocht radicaal om te gooien naar de vraag: “wie zijn wij eigenlijk als mens?” Wat maakt dat ik ben die ik ben?
In de tussentijd voert Nhat Hanh (1926 - heden) aan de andere kant van de wereld zijn eigen strijd. Hij groeit op in Vietnam, een land dat uiteen wordt gereten door meerdere oorlogen. Hij wordt opstandig naar de leiding van zijn klooster, en vraagt om een actualisering van het boeddhisme. In die tijd (jaren 50 en 60) werd er een boeddhisme bedreven dat niets meer van doen had met de tijd waar we nu in leven. En dat terwijl Nhat Hanh de dode lichamen om zich heen ziet liggen. Wat heb ik aan een boeddhisme dat niets te zeggen heeft over het drama dat zich om mij heen afspeelt? Hij komt er niet uit met de leiding en begint zijn eigen beweging. Hier ontstaat het Engaged Buddhism: het maatschappelijk betrokken boeddhisme dat aan wil sluiten bij de dagelijkse realiteit, met alles wat daar bij hoort. Nhat Hanh schrijft en denkt veel en maakt oude boeddhistische principes gereed voor de huidige tijd. Tijdens zijn vredestoer eind jaren zestig mag hij helaas niet meer terug naar zijn geboorteland Vietnam en blijft gedwongen achter in Frankrijk, om via Parijs uiteindelijk in de Dordogne neer te strijken waar hij de oase Plum Village sticht. Inmiddels is hij uitgegroeid tot een groot vredespionier die onder andere retraites organiseert voor uitgebluste Palestijnse en Joods-Israëlische vredesactivisten. Wat in het Westen als het kwaad geldt, is in het boeddhistisch Oosten het lijden. Als monnik is Nhat Hanh geleerd dat het lijden als centraal probleem van het menselijk bestaan, wordt veroorzaakt door ziekte, sterven, geliefden die verdwijnen, en vijanden die ons naderen. Maar hij komt tot het inzicht dat het echte lijden wordt veroorzaakt door de manier waarop wij naar de werkelijkheid kijken. Wanneer wij niet meer zien dat we onderdeel van een groter geheel zijn, lijden wij. Het verloren contact met mijzelf en de mensen om mij heen veroorzaakt lijden. Alles staat met elkaar in verbinding. Hij spreekt over inter-zijn: er is geen eigen zijn, enkel inter-zijn.
Ricoeur ontdekt iets soortgelijks in zijn zoektocht naar wie we zijn. Hij ontdekt dat ik als mens in een constante beweging verkeer tussen twee vreemden. De ene vreemdheid is mijn eigen innerlijke vreemdheid, de andere vreemdheid is de vreemdheid van de ander. Wie ik ben wordt bepaald door deze dubbele vreemdheid. Het gaat erom dat ik mij weet te verzoenen met deze dubbele vreemdheid, die altijd in mij bezig is. Zelfzorg als antwoord op mijn eigen innerlijke vreemdheid en zorg naar de ander, als antwoord op de uiterlijke vreemdheid, horen bij elkaar. Zonder een goede zelfzorg is zorg naar de ander vals, en zonder zorg naar de ander is zelfzorg enkel narcistisch dat geen referentie kent. Zelfontwikkeling ontstaat door de zorg voor beide.
En nu wij, hier in Nederland. Er is sprake van een spirituele beweging binnen onze maatschappij. Velen beoefenen meditatie, yoga, mindfulness et cetera. De zelfhulpboekjes vliegen weer als warme broodjes over de toonbank. Maar deze vorm van spiritualiteit wordt verweten vooral egocentrisch te zijn: voornamelijk gericht op het eigen persoonlijke geluk. Laat dat waar zijn. Evengoed kan van de klassieke godsdiensten gezegd worden dat zij juist door een overdreven nadruk op gemeenschap en een bovenmenselijke moraal mensen hebben weghouden van het eigen persoonlijke geluk, en zelfontwikkeling en zelfzorg te snel afdoen als egoïstisch. Hoe dan ook: de beweging van godsdienst naar spiritualiteit is niet meer te stoppen. Toch proef ik vanuit mijn ervaring met leerlingen, als groepsleider in jeugdinstellingen, en meditatieleraar een behoefte aan een nieuwe vorm van spiritualiteit. Allereerst is natuurlijk zelfzorg belangrijk, met de grondvraag: mag ik er zijn? Ja, en maak er wat moois van, ondanks de ellende die je soms al hebt meegemaakt. Zorg goed voor jezelf en de mensen om je heen. Maar voorbij de zelfzorg en het persoonlijke geluk proef ik de behoefte aan een meer volwassen spiritualiteit. Een volwassen spiritualiteit als ultieme zelfontwikkeling: zowel een goede zelfzorg als wel de zorg naar de ander. Paul Ricoeur stelde een midden voor: ze dienen samen op te gaan. Nhat Hanh legt de nadruk op een goede zelfzorg voorafgaand aan een goede sociale handeling en orde (gemeenschap). Voor Nhat Hanh betekent zelfzorg aandachttraining om in het hier en nu te komen. Het ‘nu’ waar hemel en aarde samenkomen.
Het verwijt van godsdiensten naar spirituele zoekers en beoefenaars is een loos argument. De klassieke godsdiensten hebben nagelaten de mens als uniek te zien in zijn/haar persoonlijke zoektocht en het menselijke talent om rust en vrede in zichzelf te vinden. Met name het verlangen naar verinnerlijking heeft voor de huidige spirituele beweging gezorgd, maar zij is nog niet af. Ze roept om begeleiding en steun in haar volgende fase; die naar een vernieuwd evenwicht tussen zelfzorg en gemeenschapszin: de stap van een individuele spiritualiteit naar een volwassen spiritualiteit. Een spiritualiteit die mij als uniek mens erkent op mijn persoonlijke weg, vanwaar ik de andere mens ontmoet, wij samen gaan en elkaar bevestigen in de zorg naar elkaar.
Met de huidige recessie waarbij nog veel ontslagen zullen vallen, en spanningen tussen groepen mensen verder zullen oplopen is deze volgende fase van spiritualiteit essentieel. De klassieke godsdiensten zouden hier hun steentje in kunnen bijdragen door hun spiritueel erfgoed open ten dienste te stellen aan alle mensen in plaats van gericht te zijn op eigen handhaving en groei. Misschien worden zij daarmee weer in ere hersteld, zoals het ooit begonnen is. Ter bevrijding van het individu en daarmee de gemeenschap, in plaats van andersom. Zelfontwikkeling door zelfzorg en zorg naar de ander als het meest ultieme wapen tegen het lijden en het kwaad.



